

Reeds van bij de aanvang van zijn benoeming tot bisschop van Gent in 1843
maakte monsegneur Delebecque duidelijk dat hij voorstander was van het oprichten van kerken in afgelegen wijken en gehuchten.
Dit klonk de Zoggenaren als muziek in de oren. Immers, de Sint-Pieterskerk in Hamme was voor de Zoggenaren, vooral tijdens de winter, moeilijk bereikbaar.
De bisschop schreef daartoe een brief naar de gemeenteraad van Hamme om in Zogge een proosthuis te bouwen. Dat werd prompt geweigerd door het gemeentebestuur. Het verzet zou de volgende jaren nog heviger worden.
Op 1 december 1848 werd door de inwoners van Zogge, Meerstraat en Ekebeke een verzoekschrift bezorgd aan het schepencollege met de vraag om een bouwfonds te krijgen. Maar opnieuw weigerde Hamme haar steun aan de kerk van Zogge.
De Zoggenaren besloten om solidair op eigen kosten hun kerk te bouwen.
Toen de muren een meter hoog waren gemetseld, kwam er een verbod van de gemeentelijke overheid om met het bouwen door te gaan.
Pastoor Van Driessche uit Sint-Niklaas nam het op voor Zogge en zei: ”Breek maar af, de kerk is te klein! En telkens als hier nog een Hammenaar komt om de bouw tegen te houden, zullen wij een pilaar meer bouwen. En als ze zich blijven verzetten zal de kerk net zo groot worden als de Sint-Baafskathedraal van Gent.”
Hiermee was het verzet van de gemeentelijke overheid gebroken.
Het werk ging snel vooruit en op 23 september 1849 droeg E.H. Van Driessche de H. Mis op in de nieuwe kerk. Het was een indrukwekkende plechtigheid. Niemand bleef thuis op deze historische dag.
Eerste pastoor werd E.H. Karel D’Hauwer. Hij heeft er voor gezorgd dat de plooien tussen Hamme en Zogge gladgestreken werden.
In 1854 werd de kerk bij KB als een wettige kerk erkend.